TDC is een programma van Enabel, het Belgisch Ontwikkelingsagentschap.

deforestation

Geïmporteerde ontbossing: ‘collateral damage’ door de wereldhandel te lang over het hoofd gezien

Ontbossing wordt als het ware ‘meegesmokkeld’ via een gigantische hoeveelheid grondstoffen en producten die dagelijks op de wereldmarkten worden verhandeld. Ontbossing beperkt zich dus niet alleen tot de houthandel. Soja, palmolie, cacao, koffie, enz. zijn stuk voor stuk gewassen die veel nieuwe landbouwgrond opslokken en die meestal bestemd zijn voor de export. Door hun passiviteit of hebzucht hebben overheden en privébedrijven lang de andere kant op gekeken. Gelukkig begint er eindelijk een nieuwe wind te waaien …

In een vorig jaar gepubliceerd rapport[1] definieert WWF België ‘geïmporteerde ontbossing’ als volgt: “Voor de productie van land- en bosbouwproducten moet er land gebruikt worden, wat dus kan leiden tot de vernietiging van natuurlijke ecosystemen met bomen, zoals bossen en beboste savannes. Consumentenlanden zoals België importeren en consumeren producten die kunnen bijdragen tot ontbossing in andere delen van de wereld.”

Het WWF schat dat sinds 1990 meer dan 129 miljoen hectare bos is verdwenen, voornamelijk in de tropen. We hebben het dan over een gebied dat twee keer zo groot is als Frankrijk … Meer dan veertig keer België. Door die ontbossing wordt het levensonderhoud van 1,6 miljard mensen in gevaar gebracht, om nog maar te zwijgen van de ineenstorting van de populaties wilde dieren, de toename van de uitstoot van broeikasgassen, enz.

“Wereldwijd wordt geschat dat de landbouw verantwoordelijk is voor bijna 80 % van de ontbossing in de tropen. Het is de belangrijkste drijvende kracht voor houtkap”, zegt Béatrice Wedeux, beleidsmedewerker bosbeheer van WWF België. Ze wijst er verder op dat “in absolute cijfers de veeteelt de sector is die het meeste nieuwe land nodig heeft, vooral in Zuid-Amerika.”

Bovendien gebeurt die ontbossing vaak illegaal. Volgens een rapport[2] dat in 2015 door de ngo FERN werd gepubliceerd, was dit bijvoorbeeld het geval voor ten minste 80 % van de oliepalm- en houtboerderijen in Indonesië. Volgens de door FERN geciteerde studies was in het Braziliaanse Amazonegebied tussen 2000 en 2009 maar liefst 90 % van de ontbossing voor de soja- en veeteelt illegaal. Beide sectoren zijn verantwoordelijk voor bijna alle houtkap in deze regio’s. En de lijst is nog langer, want in de meeste landen waar grote delen van het tropisch regenwoud gekapt zijn, werden overtredingen geconstateerd.

Naast de nefaste gevolgen voor het milieu betreurt de ngo ook dat deze illegale praktijken – of het nu gaat om hele projecten of om misbruik van rechtmatig verkregen rechten – vaak gepaard gaan met corruptie, geweld en schendingen van de mensenrechten.

[1] Geïmporteerde ontbossing: Tijd om ermee te kappen!

[2] Stolen Goods THE EU’S COMPLICITY IN ILLEGAL TROPICAL DEFORESTATION

De EU als belangrijke importeur van illegale ontbossing

Sinds de oprichting in 1995 heeft FERN bijzondere aandacht besteed aan de betrokkenheid van de Europese Unie bij de houtkap. In haar verslag stelt de organisatie verder dat de EU een van de grootste importeurs van producten van illegale ontbossing is. In 2012 hebben de EU-leden naar schatting voor zo’n 6 miljard euro aan soja, rundvlees, leer en palmolie geïmporteerd uit gewassen of van vee dat op illegaal ontboste grond in de tropen wordt geteeld. Dat vertegenwoordigt bijna een kwart van het totale volume van de wereldhandel. Er dient op gewezen dat bij deze ramingen geen rekening wordt gehouden met alle door de EU ingevoerde basisproducten: onder meer cacao, hout en leder zijn niet in aanmerking genomen.

Tussen 2000 en 2012 werd elke twee minuten het equivalent van de oppervlakte van een voetbalveld illegaal gekapt om deze goederen naar de EU te exporteren.

Volgens FERN is uit eerdere studies in opdracht van de EU al gebleken dat zij tussen 1990 en 2008 de grootste importeur ter wereld was, verantwoordelijk voor de ‘intrinsieke ontbossing’ gelinkt aan landbouw- en houtproducten, vóór Noord-Amerika en China. In deze periode werd negen miljoen hectare tropisch bos gekapt om producten te exporteren naar EU-landen. Dat is een oppervlakte bijna zo groot als Portugal. Volgens FERN gaat het dan nog om onderschattingen.

En hoewel China inmiddels gelijke tred houdt met de Europese Unie wat betreft de totale impact van zijn invoer, is de EU nog steeds de onbetwiste koploper wanneer rekening gehouden wordt met het aantal inwoners.

Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Italië en Frankrijk zijn de belangrijkste afnemers van grondstoffen uit illegale ontbossing. Samen zijn deze landen verantwoordelijk voor twee derde van de aankoopwaarde in de EU en driekwart van het vernietigde bosareaal.

“De grootste impact van de ontbossing in Europa heeft betrekking op oliehoudende planten, waarbij soja en palmolie de helft van de ontbossing voor hun rekening nemen”, zegt Béatrice Wedeux van het WWF. “Voor soja gaat het vooral om Zuid-Amerika: Brazilië, Argentinië en in toenemende mate ook Paraguay. Wat de palmolie betreft, kijken we vooral naar Indonesië en Maleisië.”

België heeft drie keer zijn oppervlakte nodig voor zeven producten

“In absolute cijfers kan België natuurlijk niet worden vergeleken met de Europese zwaargewichten. Toch blijkt uit vele vergelijkende studies vaak dat België een van de landen is met een van de grootste gevolgen voor de consumptie per hoofd van de bevolking in Europa”, vervolgt ze. “We zijn grote importeurs van tropisch hout, we eten veel vlees, dat vaak gevoed wordt met soja, we consumeren veel producten die palmolie bevatten, enz. Het feit dat ons land een zeer open economie heeft, dat veel landbouwgrondstoffen op ons grondgebied worden ingevoerd en verwerkt voordat ze opnieuw worden uitgevoerd, speelt ook een rol.”

In zijn rapport van 2019 probeerde het WWF de Belgische voetafdruk te evalueren voor de invoer van zeven grondstoffen die verantwoordelijke zijn voor ontbossing en bosdegradatie. Het zijn landbouwproducten die grote gebieden in het buitenland nodig hebben voor hun productie, en in een aantal landen betekent dit grote risico’s op houtkap.

Voor de productie van de zeven door de ngo geanalyseerde grondstoffen is dus een oppervlakte van ongeveer 10,4 miljoen hectare per jaar nodig, dat wil zeggen meer dan drie keer de omvang van België.  In volgorde van belangrijkheid gaat het om de invoer van hout en papier (4,6 miljoen ha bos en plantages), soja (2 miljoen ha), cacao (1,6 miljoen ha), rundvlees en leer (1,1 miljoen ha), palmolie (0,6 miljoen ha), koffie (0,3 miljoen ha) en natuurrubber (0,2 miljoen ha). En deze voetafdruk neemt gestaag toe. In 2016 en 2017, de laatste twee jaar waarover het WWF-rapport gaat, is hij met 30 % gestegen, een toename die grotendeels toe te schrijven is aan hout en papier, cacao, en soja.

We moeten er wel rekening mee houden dat twee derde van de ingevoerde grondstoffen vervolgens in ruwe of verwerkte vorm opnieuw naar het buitenland wordt uitgevoerd. De voetafdruk van de Belgische consumptie alleen is echter nog steeds groter dan de totale oppervlakte van ons land.

Volgens het WWF-rapport bevindt 40 % van alle betrokken gebieden zich in landen met een hoog of zeer hoog risico op ontbossing. De geïmporteerde producten zijn vooral soja (1,3 miljoen ha), cacao (1 miljoen ha), hout en papier (0,8 miljoen ha) en palmolie (0,5 miljoen ha). Gezien de omvang van de Belgische voetafdruk in deze risicogebieden is het dan ook zeer waarschijnlijk dat de Belgische invoer verband houdt met ontbossing.

“Nog geen prioriteit”

We schrijven ‘waarschijnlijk’ omdat het WWF niet precies kon achterhalen uit welke regio’s de Belgische importproducten afkomstig zijn. Het is dus onmogelijk om precies te weten waar de impact van de Belgische handelsactiviteiten zich laat voelen.

“Het probleem is dat er weinig gegevens zijn over de duurzaamheidscriteria van de geïmporteerde producten”, zegt Béatrice Wedeux. “Dat is een leemte waar ons rapport de aandacht wil op vestigen. Op dit moment kunnen we bijvoorbeeld niet zeggen welk deel van de in België geconsumeerde palmolie afkomstig is van landbouw die ontbossing heeft veroorzaakt.”

Toch zijn de landen waar deze grondstoffen vandaan komen algemeen bekend. Het gaat om Brazilië, Ivoorkust, Argentinië en Indonesië. In deze regio’s is de vernietiging van bossen en natuurlijke savannes voor de landbouw of de houtkap op grote schaal gedocumenteerd. Ze wordt ook vaak in verband gebracht met corruptie, landroof, het met de voeten treden van de rechten van inheemse volkeren en het schenden van de rechten van werknemers, bevestigt de ngo.

“Er is momenteel weinig informatie beschikbaar voor de consument”, vervolgt Wedeux. “Natuurlijk zijn er labels, dat kunnen indicatoren zijn, maar je moet ze goed kennen want ze hebben niet allemaal dezelfde waarden en zijn niet gekoppeld aan dezelfde criteria voor ontbossing, biodiversiteit, enz. Over het algemeen zijn hun gegevens nogal fragmentarisch en zijn we niet tevreden over de geloofwaardigheid van de certificering die door de industrie wordt gebruikt.” Daarom zegt de WWF-expert “dat bewijst dat sectoren en overheden tot nu toe geen prioriteit hebben gemaakt van deze kwesties.”

Due diligence en mensenrechten

Inderdaad, er zijn zeer weinig regels voor geïmporteerde ontbossing, zowel op Belgisch als op Europees niveau. “De enige wetgeving die van kracht is, betreft de invoer van hout en houthoudend materiaal, en komt van de Europese Unie”, zegt Salima Kempenaer, Attaché Internationale Betrekkingen van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu die gespecialiseerd is in dossiers rond biodiversiteit. Wat bestaat voor hout is het concept van due diligence, waarbij bedrijven zelf de risico’s van hun activiteiten moeten analyseren: toeleveringsketens, identificatie van risico’s, maatregelen om deze tot een minimum te herleiden, enz.”

“Momenteel zijn er alleen niet-bindende initiatieven op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en milieuverantwoordelijkheid”, bevestigt Liesbeth Loddewykx, opdrachthouder bij de Belgische Ontwikkelingssamenwerking ( FOD Buitenlandse Zaken). “Deze hebben geleid tot een positieve dynamiek op het gebied van due diligence-maatregelen en bevorderen de dialoog tussen de verschillende betrokken actoren. Deze vrijwillige initiatieven hebben echter ook hun beperkingen: als ze niet voldoende steun krijgen, is het onwaarschijnlijk dat ze een gelijk speelveld creëren tussen bedrijven die vrijwillige maatregelen opleggen en bedrijven die dat niet doen. Het vrijwillige karakter, in combinatie met de sectorale en vaak nationale aanpak, betekent dat het effect ervan over het algemeen beperkt is.”

Maar eindelijk begint het tij te keren voor geïmporteerde ontbossing in het algemeen. En de due diligence-benadering blijkt precies een van de zaken te zijn die de Europese Unie heeft gekozen om vooruitgang te boeken in deze kwestie. Eind april heeft de EU-commissaris voor Justitie, Didier Reynders, verklaard dat de Commissie bereid is begin volgend jaar een wetgevingsvoorstel in te dienen om nieuwe regels vast te stellen voor due diligence-verplichtingen inzake mensenrechten en milieu in de mondiale toeleveringsketens van Europese bedrijven.  Deze aanpak zal deel uitmaken van de zogenaamde ‘Green Deal’ van de EU en haar strategie ‘Biodiversiteit 2030’, die op 20 mei werd gepresenteerd.

Deze mogelijke nieuwe wetgeving, die in de komende jaren van kracht zou kunnen worden, zou schendingen van de mensenrechten en milieuschade door activiteiten van bedrijven of hun dochterondernemingen in de gehele toeleveringsketen opsporen, voorkomen, beperken en rapporteren. Als gevolg daarvan zouden bedrijven verplicht zijn hun toeleveringsketens te controleren en de risico’s te onderzoeken die hun activiteiten met zich meebrengen.

Eerder dit jaar heeft het Europees Parlement ook een resolutie aangenomen waarin het zich uitspreekt voor regulering door middel van due diligence om een einde te maken aan geïmporteerde ontbossing. In tegenstelling tot wat de Commissie heeft aangekondigd, richt het Europees Parlement zich uitdrukkelijk op geïmporteerde ontbossing en maakt het van due diligence zijn belangrijkste wapen in deze strijd.

“Tot nu toe hebben wij als ngo’s veel gewerkt op basis van vrijwillige initiatieven, met 2020 als deadline”, zegt Wedeux. “Er is vooruitgang geboekt, maar wij vinden dat deze nog steeds te beperkt is en dat we er niet in geslaagd zijn de markt en de sectoren voldoende te transformeren. Daarom dringen we al enkele jaren aan op wetgeving.”

Bovendien ziet het ernaar uit dat de Europese Unie zich niet wil beperken tot het opstellen van een juridisch kader. Zij overweegt ook de invoering van aanvullende niet-regelgevende maatregelen. “Er is behoefte aan een meer samenwerking in de aanpak, financiële en technische ondersteuning, enz. om de producerende landen te helpen de overgang te maken naar productiemethoden die niet samengaan met ontbossing”, zegt de expert van WWF België.

“Tot nu toe hebben we vooral verklaringen gezien, maar nu voelen we echt de bereidheid om verder te gaan op de ingeslagen weg”, klinkt het opgewekt. “We zijn dus zeer positief en tevreden. Dit moet het mogelijk maken een gemeenschappelijk kader voor alle EU-landen, voor alle bedrijven, op te zetten en zo een algemene dynamiek in Europa in het leven te roepen.”

“De Europese initiatieven zijn veelbelovend want ze beperken zich niet tot geïmporteerde ontbossing. Ze pakken het probleem op een bredere manier aan door middel van sociale en ecologische due diligence“, zegt Liesbeth Loddewykx van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking. “Dit zou de nationale grenzen overschrijden en er zou op grotere schaal een gelijk speelveld kunnen worden gecreëerd.”

“Op de lange termijn zal bindende wetgeving een positief effect hebben op consumenten en bedrijven, zowel in Europa als in de producerende landen”, vervolgt ze. “Op korte termijn moeten echter begeleidende maatregelen worden overwogen om ervoor te zorgen dat de nieuwe wetgeving wordt nageleefd.”

«De bedrijven die het meeste risico lopen, doen de grootste moeite»

Volgens een in februari jongstleden door het Europees Parlement gepubliceerde studie[1] neemt momenteel slechts één op de drie ondervraagde bedrijven de nodige due diligence-eisen in acht.  Daarentegen is ongeveer 70 % van de Europese bedrijven nu voorstander van verplichte due diligence-normen.

“In deze tijden van economische onzekerheid en turbulentie zou dergelijke wetgeving bijdragen tot sterke en duurzame toeleveringsketens en bedrijven helpen de milieu-, sociale en bestuurskwesties in verband met de coronacrisis aan te pakken”, aldus Rachel Owens, hoofd van het EU-bureau voor Global Witness[2]. “De wetgeving zou er ook voor zorgen dat deze response geen extra risico’s voor de mensen, de planeet en de maatschappij met zich meebrengen.

“Voorlopig zou het de bedoeling zijn dat deze toekomstige regelgeving bindend en vooral niet-discriminerend van toepassing is op bedrijven om een gelijk speelveld te creëren”, merkt Salima Kempenaer van de FOD Volksgezondheid op. “Sommige bedrijven zijn erg ver gevorderd wat ontbossing betreft en maken er veel werk van, andere veel minder. Maar wat de sector ook is, het zijn over het algemeen de bedrijven die het grootste reputatierisico lopen – dat wil zeggen de bedrijven die een publiek imago en producten in de winkelrekken hebben – die de meeste inspanningen leveren. Tussenpersonen blijven vaak veel meer gespaard van kritiek van het publiek.”

Bovendien “kunnen bedrijven die veel investeren op dit gebied geen significante impact optekenen omdat de rest van de sector niet volgt”, aldus Salima Kempenaer.

Ze wijst er ook op dat het gebrek aan expertise of middelen binnen bedrijven niet moet worden onderschat: “Vele van hen weten gewoon niet waar ze moeten beginnen.”

“Er zijn nog veel vraagtekens te plaatsen bij de uitvoering van de verbintenissen inzake ontbossing”, weet Béatrice Wedeux. “Maar de wet zou alvast antwoorden moeten geven in termen van traceerbaarheid, transparantie, risicoanalyse, en hoe dit alles te operationaliseren. Dergelijke systemen, die rekening houden met de ecologische en sociale gevolgen van producten die op de Europese markt worden gebracht, bestaan al in andere sectoren, bijvoorbeeld hout of conflictmineralen. Wij zijn dan ook van mening dat deze systemen volledig kunnen worden omgezet naar het probleem van de ontbossing.”

[1] https://www.fern.org/news-resources/european-parliament-calls-for-rules-to-end-imported-deforestation-2081/

[2] https://www.euractiv.com/section/global-europe/news/new-human-rights-laws-in-2021-promises-eu-justice-chief/

Een Belgische «strategie» in de maak

De door de Commissie gekozen aanpak, dat wil zeggen een project met een bredere reikwijdte dan alleen ontbossing, ligt enigszins in de lijn van de denkwijze die momenteel in België wordt gevolgd, legt Salima Kempenaer uit: “Het is onmogelijk om het probleem van de ontbossing op te lossen zonder te spreken over de sociaal-economische ontwikkeling in de producerende landen en een heel ander aspect van het probleem links te laten liggen, namelijk het arbeidsrecht, de kinderarbeid en de mensenrechten in het algemeen. Geïmporteerde ontbossing kan niet als een alleenstaand probleem worden opgelost, dat is onmogelijk.”

In 2017 heeft België een Nationaal Actieplan (NAP) Ondernemingen en Mensenrechten aangenomen op basis van de VN-richtlijnen voor het bedrijfsleven en de mensenrechten (zie kaderstuk). Dat heeft onder meer tot doel bij te dragen tot de inspanningen van België om de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, en in het bijzonder tot doelstelling 8 ‘Aanhoudende, gedeelde en duurzame economische groei, volledige en productieve tewerkstelling en waardig werk voor iedereen bevorderen’ en doelstelling 12 ‘Duurzame consumptie- en productiepatronen verzekeren’.

“Dit plan bestaat uit een reeks acties die bedoeld zijn om bedrijven te ondersteunen bij het beter integreren van mensenrechten in hun activiteiten”, vat Salima Kempenaer samen. “En als we het over mensenrechten hebben, hebben we het noodzakelijkerwijs over het milieu. Maar het is niet direct gericht op ontbossing.”

De attaché van de FOD Gezondheid verzekert echter dat er lessen moeten worden getrokken uit dit plan. “De denkoefeningen die op Belgisch niveau aan de gang zijn om een strategie voor specifiek geïmporteerde ontbossing op te zetten, maken deel uit van dezelfde werkgroep die dit Nationaal Actieplan heeft opgesteld, aangevuld met deskundigen die zich bezighouden met de specifieke thema’s van het onderwerp. Maar de kern van de groep zal dezelfde zijn, omdat de traceerbaarheidskwesties met betrekking tot de toeleveringsketens identiek zijn.”

“Er wordt momenteel een document opgesteld dat uiteindelijk een reeks aanbevelingen aan de regering zal bevatten”, zegt Salima Kempenaer. “In dit stadium worden alle regelgevende en niet-regelgevende maatregelen overwogen, zodat er een bindend kader zou kunnen komen. Due diligence-achtige maatregelen, omgezet naar de Belgische context, maken ook deel uit van de denkoefening. Tegelijkertijd zal deze ‘strategie’ een onderdeel bevatten over vrijwillige partnerschappen die kunnen worden opgezet met spelers die verder willen gaan.” De nota wordt tegen het einde van het jaar verwacht, maar de goedkeuring ervan zal afhangen van de volgende regering.

Beyond Chocolate

In 2016 hebben ook de publieke sector, organisaties van het maatschappelijk middenveld en Belgische bedrijven het Belgische SDG Charter voor Internationale Ontwikkeling ondertekend. Het doel is bruggen te slaan tussen de internationale ontwikkeling, de private sector en het maatschappelijk middenveld. De ondertekenaars hebben zich aldus bereid verklaard de door de Verenigde Naties goedgekeurde Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) volledig te integreren in hun economische kernactiviteit en actief deel te nemen aan partnerschappen. De SDG’s hebben tot doel extreme armoede uit te roeien, de planeet te beschermen en de menselijke ontwikkeling te bevorderen tegen 2030.

“Het Belgisch SDG Charter wil het bewustzijn rond de ambitieuze duurzame ontwikkelingsagenda binnen de Belgische privésector doen groeien. Dat is absoluut noodzakelijk, want overheden, ngo’s en middenveld kunnen de Duurzame Ontwikkelingsdoelen nooit alleen waarmaken. We hebben de privésector nodig. Dat vandaag al meer dan 50 bedrijven het charter ondertekenen, is een belangrijk signaal”, zo zei Alexander De Croo destijds.[1].

Tot nu toe is het belangrijkste resultaat van het Charter het partnerschap ‘Beyond Chocolate’. Dat verenigt de meeste spelers in de Belgische chocoladesector met als doel de kinderarbeid op de cacaoplantages en de ontbossing te bestrijden, de Belgische chocolade tegen 2025 duurzaam te maken en ervoor te zorgen dat de cacaoproducenten tegen 2030 een leefbaar minimumloon ontvangen.

Partners zijn onder meer de Koninklijke Belgische Vereniging van de Chocolade-, Praline- Biscuiterie- en Suikergoedindustrie, grote supermarktketens, universiteiten, het Trade for Development Centre (TDC) van het Belgisch Ontwikkelingsagentschap Enabel, ngo’s, sociale-impactinvesteerders, vakbonden, labels, en natuurlijk bedrijven.

Met een jaarlijkse omzet van bijna 5 miljard euro is de Belgische chocolade-industrie een van de zwaargewichten van de wereld. België is de tweede grootste exporteur van chocolade ter wereld, met bijna 600.000 ton per jaar, en de derde grootste Europese importeur van cacaobonen, met meer dan 300.000 ton per jaar. De sector is voor zijn bevoorrading afhankelijk van om en bij de 275.000 kleine producenten.

“Op Europees niveau vindt de ontbossing in verband met cacao plaats op een andere schaal dan die van palmolie of soja, maar op Belgisch niveau is het een belangrijke factor”, bevestigt Béatrice Wedeux.

[1] https://diplomatie.belgium.be/nl/newsroom/nieuws/2016/belgische_bedrijven_middenveldorganisaties_en_publieke_sector_ondertekenen_sdg_charter

Beyond Food

‘Beyond Chocolate’ is op weg om een groot succes te worden en kan ook andere sectoren op weg helpen. “In de toekomst zou het idee zijn om er inspiratie uit te putten, ervan te leren en een soortgelijk idee toe te passen op andere sectoren die als prioritair worden beschouwd”, zegt Salima Kempenaer. “De grondstoffen die het meest gelinkt zijn aan geïmporteerde ontbossing zijn bekend: palmolie, soja, geïmporteerd rundvlees, koffie, en ga zo maar door. De ‘strategie’ die momenteel op Belgisch niveau wordt opgesteld, neemt deze wens over onder de voorlopige naam ‘Beyond Food’. Discussies over dit onderwerp vinden plaats in de Werkgroep Maatschappelijke Verantwoordelijkheid van de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling. Maar ik herhaal, dit is work in progress.”

Het ziet er dus naar uit dat we op een sleutelmoment gekomen zijn in het trieste verhaal van de ontbossing. Regelgeving krijgt vorm terwijl partnerschappen ontstaan en hun relevantie bewijzen. “Persoonlijk denk ik dat dit de best mogelijke combinatie is: een regelgevend kader, zodat er een gelijk speelveld is tussen bedrijven, met partnerschappen die het mogelijk maken om een stap verder te gaan”, zegt Kempenaer.

Is er na decennia van intensieve ontbossing nu eindelijk reden om optimistisch te zijn? “In West-Afrika, waar enorm veel bossen werden gekapt, nog verergerd door de klimaatverandering, heeft het gebrek aan bossen een sterke invloed op de neerslagpatronen”, zegt Béatrice Wedeux. “En in het Amazonegebied, waar momenteel een zeker klimaatevenwicht heerst, zijn er bijna 20 % meer ontboste gebieden dan in de pre-industriële periode. Terwijl de wetenschappers schatten dat het omslagpunt in het Amazonegebied – het punt waar het bos zo is aangetast dat het zal omslaan in een ander systeem – tussen de 20 en 25 % ligt. We zitten er dus heel dicht bij, mogelijk binnen enkele jaren, en het effect ervan op de landbouwopbrengsten is niet te overzien.”

“Het is dus duidelijk te vroeg om optimistisch te zijn, ook al nemen steeds meer overheids- en privéactoren de verantwoordelijkheid voor de ontbossing op zich”, merkt de Forest Policy Officer van het WWF België op. “Maar ik hoop dat we aan het begin staan van een decennium van concrete acties om de ontbossing te stoppen en aangetaste bossen te herstellen”, luidt haar conclusie.

Ontbossing en zoönosen

Hoewel de exacte herkomst van het nieuwe coronavirus, dat al enkele miljoenen mensen heeft besmet en in enkele maanden tijd de dood van enkele honderdduizenden slachtoffers heeft veroorzaakt, nog niet met zekerheid bekend is, is er alle reden om aan te nemen dat het virus van dierlijke oorsprong is. In dat geval is er een goede kans dat het afkomstig is van de vleermuis, een bekend reservoir van coronavirussen.

Net als SARS, MERS, Ebola en hiv lijken er de laatste decennia steeds meer virussen te zijn overgedragen van dierpopulaties op mensen. En wetenschappers[1] vrezen dat de ziekten of infecties die ze veroorzaken, bekend als zoönosen, zich in de toekomst nog meer zullen vermenigvuldigen. Want de belangrijkste drijvende kracht achter deze ontwikkeling is het toenemende contact tussen mens en dier.

Een van de redenen voor de toename van dat contact zou ontbossing zijn. Door steeds dieper in de wildernis door te dringen, zet de mens steeds meer druk op de dieren en planten die daar leven, waardoor de kans op kruisbesmetting toeneemt. Hoewel de hypothese nog niet unaniem wordt aangenomen in de wetenschappelijke wereld, is deze bevestigd door een recente analyse die in het tijdschrift Frontiers in Medicine[2] werd gepubliceerd door deskundigen van de Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention. Zij merken op dat, naarmate de natuurlijke habitats krimpen, wilde dieren zich concentreren in kleinere gebieden of zich verplaatsen naar bewoonde gebieden, wat leidt tot het ontstaan van zoönosen.  “De mensheid moet de manier waarop zij met de natuur omgaat veranderen, anders zullen pandemieën nog dodelijker zijn dan die van Covid-19,” waarschuwen zij.

De richtsnoeren van de Verenigde Naties voor het bedrijfsleven en de mensenrechten[3]

Op 17 juni 2011 heeft de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties unaniem de Guiding Principles on Human Rights and Business aangenomen. Die worden beschouwd als een belangrijke gebeurtenis voor de bescherming van de mensenrechten en de ontwikkeling van het concept van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO).

Deze richtsnoeren zijn een lijst van 31 beginselen die de reikwijdte van het begrip ‘mensenrechten’ toelichten en de rol bepalen die van staten en bedrijven wordt verwacht. Ze zijn georganiseerd rond drie pijlers – beschermen, respecteren, herstellen – en introduceren de notie van de verantwoordelijkheid van het bedrijf met betrekking tot zijn toeleveringsketen als geheel, evenals het concept van ‘Human Rights Due Diligence’ (HRDD).

De belangrijkste bijdragen van de richtsnoeren zijn de bevestiging van de centrale rol van de staat bij de bescherming en bevordering van de mensenrechten ten aanzien van ondernemingen, de prioriteit die wordt gegeven aan de op risico’s gebaseerde aanpak en de verantwoordelijkheid die wordt uitgebreid tot de gehele waardeketen.

De richtsnoeren zijn tot nu toe zeker de meest succesvolle versie van niet-bindende instrumenten die bedoeld zijn om de mensenrechten te helpen beschermen en te waarborgen. Toch zijn ze niet vrij van kritiek, met name het feit dat hun reikwijdte beperkt blijft in termen van grensoverschrijdende misbruiken en herstelmechanismen en dat de toepassing ervan bovenal vrijwillig is.

[1] https://www.lesechos.fr/monde/enjeux-internationaux/comment-eviter-la-prochaine-epidemie-les-zoonoses-en-quatre-questions-1201283

[2] https://www.frontiersin.org/articles/10.3389/fmed.2020.00223/full

[3] https://www.diplomatie.gouv.fr/fr/politique-etrangere-de-la-france/diplomatie-economique-et-commerce-exterieur/peser-sur-le-cadre-de-regulation-europeen-et-international-dans-le-sens-de-nos/l-engagement-de-la-france-pour-la-responsabilite-sociale-des-entreprises/les-referentiels-internationaux-et-la-participation-de-la-france-a-leur/article/les-principes-directeurs-du-conseil-des-droits-de-l-homme-des-nations-unies-sur
 
Facebook
Twitter
LinkedIn
WhatsApp
Email
Print

Deze website gebruikt cookies om uw gebruikerservaring zo aangenaam mogelijk te maken.