Sinds 1 januari 2022 regelt de Europese verordening (EU) 2018/848 [i] de biologische productie en de etikettering van biologische producten in de hele Europese Unie. Deze tekst heeft tot doel de normen verder te harmoniseren, het vertrouwen van de consument te vergroten en de groei van de biologische sector te ondersteunen.
Sinds 2025 is de verordening van toepassing op landen buiten de EU. Hoewel maatregelen zoals groepscertificering kansen bieden voor producenten in derde landen brengt de verordening ook grote uitdagingen met zich mee zoals hogere kosten en de verplichting voor bepaalde coöperaties om zich kunstmatig op te splitsen.
Kansen van de biologische verordening
De verordening introduceert groepscertificering, een belangrijke stap voorwaarts voor kleine producenten in derde landen. Certificeringskosten zijn vaak onbetaalbaar voor kleine bedrijven (1 tot 3 hectare). Door deze te delen, vergemakkelijkt deze maatregel de toegang tot de Europese biologische markt. Uit een internationaal onderzoek van FiBL en IFOAM blijkt dat 40 % van de producenten en handelaars in derde landen deze verduidelijking van de regelgeving zien als een kans om de biologische praktijken te versterken en de kwaliteit te handhaven [ii]. Yessie Meyer, expert in duurzame landbouwsectoren bij Enabel: “Groepscertificering is een belangrijk instrument om coöperaties in staat te stellen hun afhankelijkheid van exportbedrijven (die vóór de hervorming hun certificering hadden) te verminderen en hun klantenbestand te diversifiëren. Dit kan de inspanningen om dit in te voeren rechtvaardigen”.
De verordening staat ook de commercialisering toe van heterogeen zaaigoed, dat beter geschikt is voor agro-ecologische praktijken, en breidt het gamma van certificeerbare producten uit (etherische oliën, wol, zout, enz.). Dit biedt kleine producenten meer flexibiliteit in hun keuze van gewassen en toegang tot variëteiten die zijn aangepast aan hun bodem en klimaat. Bovendien bieden strengere controles bescherming tegen automatische declassering in geval van accidentele besmetting met pesticiden, een veelvoorkomend probleem voor kleine bedrijven die grenzen aan conventionele percelen.
Belangrijkste uitdagingen en beperkingen
Ondanks deze vooruitgang stelt de verordening producenten buiten de EU voor aanzienlijke uitdagingen. Sinds januari 2025 moeten geïmporteerde biologische producten aan dezelfde strenge normen voldoen als diegene die in de EU worden toegepast, waardoor het vroegere gelijkwaardigheidssysteem is afgeschaft. Deze conformiteitsvereiste verhoogt de administratieve en financiële lasten. Bovendien verplicht de verordening hen soms tot een kunstmatige opsplitsing: niet meer dan 2 000 leden per groepering. De gevolgen? Verstoord functionerende sectoren, explosief stijgende kosten en uiteindelijk het reële risico dat bepaalde coöperaties of unies van coöperaties de handdoek in de ring gooien en de biologische certificering opgeven waarvoor ze zo hard hebben gewerkt.
De ACPCU, een belangrijke unie van coöperaties van koffieproducenten in Oeganda, is hiervan een treffend voorbeeld. De unie telt meer dan 20.000 producenten en 38 coöperatieve vennootschappen, waarvan er 32 biologisch zijn gecertificeerd. Derick Komwangi, projectmedewerker van de unie, zegt hierover: “De certificering vergde een aanzienlijke financiële investering tijdens de overgangsperiode, aangezien sommige coöperaties nog steeds niet in staat zijn om de nodige volumes te mobiliseren om de certificeringskosten te dekken. Als we hen vragen om de certificeringskosten individueel te dragen, komt dat neer op een automatische intrekking van de certificering. Gezien de stijgende kosten, de lange auditprocessen en de tests op chemische residuen in Europa en omdat we niet over de middelen beschikken om die lokaal uit te voeren, vragen we ons af of het nog de moeite loont om te investeren in de certificering van een extra coöperatie. “
ACPCU heeft namelijk een stijging van 518 % van de certificeringskosten vastgesteld zonder de andere algemene kosten mee te rekenen. De organisatie wordt momenteel onderworpen aan een van de twee jaarlijkse biologische audits en volgens Derick Komwangi ”hebben we ongeveer anderhalve maand nodig gehad om deze uit te voeren. Dat betekent dat drie van de twaalf maanden aan audits worden besteed waardoor we geen tijd meer hebben om de voordelen van certificering te benutten, zoals opleiding en voorlichting van boeren, inspecties van landbouwbedrijven, hulp bij agro-ecologie, enz. Om nog maar te zwijgen van de gevolgen van deze langere doorlooptijden voor onze relaties met onze afnemers in Europa.”
Een ander punt dat vaak naar voren wordt gebracht, is dat de verordening onvoldoende rekening houdt met de specifieke kenmerken van agro-ecologische systemen zoals agroforestry of gediversifieerde teelten. De strenge eisen op het gebied van traceerbaarheid en documentatie, hoewel noodzakelijk om de biologische kwaliteit te garanderen, vergen administratieve en technische middelen die voor deze bedrijven vaak onbereikbaar zijn.
De conclusie van Issaka Sommandé, voorzitter van de PNCE-B in Burkina Faso, is onomstotelijk. De nieuwe verordening, “in haar huidige vorm”, brengt “reële uitdagingen voor de Burkinese producenten” met zich mee. “Gedwongen herstructureringen, steeds meer audits en steeds zwaardere administratieve eisen verzwakken coöperaties die toch al solide en zeer functioneel zijn. Zonder corrigerende maatregelen dreigt dit kader kleine producenten uit te sluiten van de biologische circuits van de Europese markt, waardoor de efficiënte collectieve dynamiek in gevaar komt.“
De voorzitter van de PNCE-B roept ook ”de Europese Unie, de technische partners en de certificeringsinstanties op om te luisteren naar de realiteit in het veld en de begeleiding daarop aan te passen. Biologisch mag geen onbereikbare luxe worden, maar moet een hefboom blijven voor inclusieve en duurzame ontwikkeling in derde landen.“ Yeo Moussa, directeur van Yeyasso, een coöperatie van cacaoproducenten in Ivoorkust, vraagt ook dat de producenten worden gehoord en ondersteund: ”Als de regelgeving geen begeleidende maatregelen voor producentenorganisaties bevat, kan dit ertoe leiden dat de biologische certificering wordt opgegeven “.
Voorgestelde corrigerende maatregelen
Om deze uitdagingen het hoofd te bieden, stellen organisaties als AVSF en Ethiquable verschillende maatregelen voor, waaronder: de toepassing van de verordening voor derde landen uitstellen tot 31 december 2026, de certificeringskosten verlagen, een onafhankelijk observatorium oprichten om de gevolgen voor kleine producenten te evalueren [iii].
Fairtrade International zou graag zien dat bepaalde modaliteiten worden vereenvoudigd zoals de procedures voor het testen van residuen vóór invoer in de EU of de definitie van “groepen van marktdeelnemers” waarvan de omvang beperkt is tot 2000 leden. Fairtrade schat dat 60 % van zijn gecertificeerde biologische koffie- en cacaoproducenten en 95 % van zijn kleine biologische bananenproducenten niet aan deze nieuwe criteria voldoen [iv].
Conclusie
De EU-verordening inzake biologische productie en de etikettering van biologische producten biedt dus kansen voor kleine biologische producenten in derde landen met name via groepscertificering en betere toegang tot geschikt zaaigoed. Maar is men bij het streven naar een strenger kader de realiteit in het veld niet uit het oog verloren? De deuren die dankzij de groepscertificering worden geopend, dreigen abrupt te worden gesloten door onbetaalbare kosten en ontmoedigende bureaucratie.
Een hervorming met financiële steun, vereenvoudigde instrumenten en meer aandacht voor agro-ecologische praktijken is essentieel om een inclusieve, duurzame en eerlijke biologische landbouw voor kleine producenten te garanderen.