FIBUMA_KOAKAKA

Europa gaat voor wetgeving MVO

In september 2020 hebben het Trade for Development Centre en The Shift een webinar georganiseerd om het initiatief te bespreken van de Europese Commissie over de verplichte redelijke zorgvuldigheid van ondernemingen inzake mensenrechten en milieu: waarover gaat het precies? Aan welk wetgevend kader denkt Didier Reynders, Europees commissaris van Justitie? En vooral, hoe kan de due diligence een reële en positieve weerslag hebben op de mensenrechten en de bescherming van het milieu? (1)

Afgelopen april kondigde de Europese Commissie een wetgevend initiatief aan over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van Europese ondernemingen via met name een redelijke zorgplicht (of zorgvuldigheid). De zorgplicht inzake mensenrechten en milieu verplicht ondernemingen om de manier waarop ze de negatieve impact van hun activiteiten (of die van hun onderaannemers en leveranciers) op de mensenrechten en het milieu beheren te identificeren, te voorkomen, te beperken en er verslag over uit te brengen. Het langetermijndoel van de Commissie, via het toekomstige arsenaal, is “de economie meer duurzaam en robuust maken”, aldus Didier Reynders, Europees commissaris van Justitie:  “De huidige gezondheidscrisis heeft aangetoond dat onze economieën op sommige vlakken kwetsbaar kunnen zijn. Ik denk daarbij vooral aan bepaalde toeleveringsketens en businessmodellen die niet duurzaam genoeg zijn. Er zijn oplossingen en er moet nu aan andere governance-benaderingen worden gewerkt.”

Prioriteit van ondernemingen weer verplaatsen naar duurzaamheid

Dit initiatief wil zowel het herstel bevorderen als een duurzaam transitieplan zijn voor Europese ondernemingen die volgens de Commissie “zowel weerbaarder als competitiever” moeten worden, aldus Didier Reynders.  Hij baseert zich op twee vaststellingen. Enerzijds zijn de financiële prestaties nog te zeer gericht op de korte termijn: “In de afgelopen 30 jaar hebben we een stijgende tendens waargenomen om de dividenden van aandeelhouders te verhogen. Dit gebeurde maar al te vaak ten koste van investeringen op middellange en lange termijn en van de weerbaarheid, de productiviteit, het concurrentievermogen of de duurzaamheid van de onderneming.” Anderzijds zijn de waardeketens onvoldoende ethisch en duurzaam: “Slechts één onderneming op drie in de Europese Unie heeft een due-diligenceproces om de impact van haar economische activiteit op de mensenrechten en het milieu in haar hele waardeketen te beperken.”

Didier Reynders benadrukt dat het wetgevend initiatief wellicht niet veel tegenstand zal kennen wanneer het in het Europees Parlement wordt besproken en dat het overigens steunt op vergelijkbare initiatieven die momenteel op internationaal niveau, maar ook binnen de lidstaten worden ontwikkeld: “Er is meer bepaald een vergelijkbaar initiatief in Duitsland, waar de mogelijkheid wordt besproken om hetzelfde type proces in te voeren aangezien meerdere studies daar hebben aangetoond dat de governance in ondernemingen onvoldoende georganiseerd is, maar er een reële vraag bestaat om ze te doen evolueren.”

Wat houdt deze toekomstige wetgeving in? “Eerst en vooral is het essentieel om te verduidelijken dat, inzake duurzame corporate governance, bestuurders verplicht zijn rekening te houden met de belangen van alle stakeholders van de onderneming (dus ook de werknemers en meer in het algemeen iedereen die wordt geraakt door de economische activiteit in kwestie) evenals de langetermijnbelangen van de onderneming zelf.” In besprekingen en beslissingen moeten de belangen van al die stakeholders en de duurzaamheidsrisico’s dus centraal worden geplaatst. “Hiervoor werken we dus aan een verplichting voor de onderneming om een due-diligenceproces in te voeren voor zowel de mensenrechten als het milieu.” Wat direct past in het kader van de inspanningen om de Europese ambitie van koolstofneutraliteit tegen 2050 te realiseren.

Wat zegt de bedrijfswereld?

David Coleman, VP Public Affairs Europe van Mars en deelnemer aan het debat, is alvast enthousiast: “Het gebeurt niet vaak dat het draagvlak bij bedrijven zo groot is. Dit is een kans om aan de goede kant van de geschiedenis te staan. Mars was vragende partij.” Opdat ondernemingen zoals Mars deze wetgeving zo efficiënt mogelijk zouden helpen maken, moet volgens David Coleman de redelijke zorgplicht volledig in de governance worden geïntegreerd: “De richtsnoeren van de Verenigde Naties rond redelijke zorgplicht bevatten vier componenten: identificatie van de doelstelling, integratie, beoordeling en acties die aansluiten bij de beoordeling. Deze stappen zijn nodig voordat de doelstelling in de cultuur van de onderneming wordt verankerd.” Coleman waarschuwt niettemin voor de verplichtingen die voor grote ondernemingen vaak veel belangrijker zijn dan voor kmo’s: “Waarom focussen op de grootte van de ondernemingen? Waarom bekijken we niet het volume gebruikte grondstoffen? Soms importeert een kmo die banden produceert veel meer rubber dan een grote onderneming …”

Als voorstander van de verplichte redelijke zorgplicht vraagt Mars zich ook af welke houding het moet aannemen ten aanzien van producerende landen waarmee de multinational werkt. Volgens Didier Reynders moeten we hiervoor voortbouwen op al bestaande akkoorden met de Afrikaanse landen. ‘Echte discussies’ tussen Europese en Afrikaanse Commissies zouden begin 2021 moeten plaatsvinden: “We zijn bereid om meer te investeren om deze landen te helpen de activiteiten van de producenten beter te beheren, bijvoorbeeld via sociale initiatieven.” Didier Reynders geeft het voorbeeld van kinderarbeid: “Een van de mogelijke oplossingen is om een schoolplicht tot 15-16 jaar voor te stellen. Als je deze regel in je partnerschappen deelt, kun je op het terrein invloed uitoefenen voor mensenrechten.” Het handelsakkoord is dus volgens hem echt een instrument dat we in handen hebben: “We voeren gesprekken met China. Ook daar was het belangrijk om verbeteringen in de sociale situatie, milieukwesties en vrouwenrechten te vragen. We moeten druk uitoefenen.”

Wat zegt het maatschappelijk middenveld?

“Het maatschappelijk middenveld verklaart zich bereid om jullie in jullie ambitieuze aanpak te ondersteunen en is vragende partij om bij dit proces te worden betrokken”, zegt Sarah Vaes, Advocacy Manager van Oxfam België. “Voor ons is het belangrijk dat er vanaf het begin solide fundamenten worden gelegd en te verduidelijken dat een te algemeen geformuleerde tekst in de praktijk geen impact zal hebben.” Sarah Vaes bedoelt daarmee dat de wetgeving verder moet gaan dan enkel een rapporteringsplicht: “Het doel zou veel meer moeten zijn dan gewoon ingrijpen in de algemene beleidsverklaringen of procedures van ondernemingen. Het zou een motor van verandering in hun gedrag moeten zijn.”

Didier Reynders verzekert dat het initiatief dat momenteel wordt uitgeschreven, niet enkel een aanbeveling is: “Het is veel meer dan dat. Het gaat ook om verbintenissen creëren en de implementatie van de nieuwe regelgeving door ondernemingen controleren. Ik dring aan op een maatschappelijke verantwoordelijkheid voor een bepaald aantal zaken. We denken ook aan een toezichthoudende autoriteit. Het is dus mogelijk om aan een nationale toezichthoudende autoriteit te werken, maar er zijn ook discussies over de strafrechtelijke aansprakelijkheid.” Voor Sarah Vaes is het inderdaad belangrijk dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld het recht hebben om de vermeende slachtoffers te verdedigen voor de rechtbanken wanneer die laatsten toegang trachten te hebben tot het recht en schadevergoedingen: “Momenteel hebben ze al te vaak niet de middelen om dat te doen. (…) Heel wat spelers moeten worden betrokken bij de uitwerking en de uitvoering van verplichtingen van ondernemingen. Ze zouden een soort hoeders van het recht zijn: arbeiders, kleine landbouwproducenten, gemeenschappen, syndicaten, mensenrechtenactivisten, vrouwenrechtenorganisaties, autochtone volkeren, enz. bij ons, maar vooral in de producerende landen.” Een organisatie als Oxfam zou dan als missie hebben om de stem van die hoeders van het recht te vertegenwoordigen, “ze uit te drukken en te kanaliseren”.

Wat zegt het onderzoek?

Sara Geenen, assistent-professor internationale ontwikkeling, globalisering en armoede aan het Institute of Development Policy (IOB) van de Universiteit Antwerpen, vreest voor embargorisico’s: “Het gevaar bestaat dat ondernemingen zich niet meer in een bepaalde regio of bij een bepaalde groep van producenten gaan bevoorraden.” Ze maakt de vergelijking met een soortgelijke Amerikaanse wetgeving die initieel heeft geleid tot een de facto boycot in de Democratische Republiek Congo en bij haar buren van de bevoorrading in deze regio: “Het is niet dat kleine mijnbouwproducenten zich niet willen voegen naar de nieuwe regelgevingen, maar ze hebben er gewoon niet de financiële of materiële middelen voor; of de administratieve formaliteiten zijn te zwaar. Ze verdwijnen dan ook uit de toeleveringsketens.” Volgens haar roept dit de volgende vraag op: “Hoe kunnen de mijnwerkers en gemeenschappen een echte stem krijgen in de governance van de toeleveringsketen en echt invloed hebben? Anders bestaat het gevaar dat de precaire toestand van al die mensen nog verergert.”

Voor Didier Reynders vereisen deze kwesties een aanpassing van andere beleidslijnen zoals het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) voor bijvoorbeeld eerlijke belastingheffingen tussen ondernemingen. Hij herinnert eraan dat er een raadpleging lopende is om dit soort kwesties bloot te leggen: “Ik heb de vakbonden gevraagd ons te tonen hoe we beter rekening kunnen houden met vakbonden en werknemers wanneer we de redelijke zorgplicht organiseren. We kunnen dat ook doen met alle landen en gemeenschappen die mogelijk worden getroffen door de actie en de activiteiten van Europese ondernemingen. We willen lessen trekken uit de Amerikaanse initiatieven en de negatieve effecten ervan. Maar we hebben voorlopig niet dé oplossing voor dit probleem.”

Sarah Geenen benadrukt dat er veel meer transparantie moet zijn over de kostprijs van redelijke zorgplicht: “De kopers moeten die uitdrukkelijk vermelden in hun contracten met de leveranciers. En uiteraard kunnen ondernemingen deze kostprijs intern dragen – de kostprijs van mensenrechten, milieu-impact internaliseren – maar ook extern via consumenten die misschien bereid zijn meer te betalen voor producten die geen negatieve impact hebben gehad op het milieu en, tot slot, investeerders die winst op korte termijn zouden moeten vergeten.”

En wat met de vrijwillige initiatieven?

Is een wetgeving met verplichtingen en wettelijke en zelfs strafrechtelijke aansprakelijkheden echt nodig om de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen te verbeteren? Enkele van hen pleiten voor vrijwillige initiatieven. Sarah Vaes benadrukt dat, op basis van resultaten die werden geanalyseerd, vrijwillige initiatieven niet volstaan: “Er zijn tal van studies en onderzoeken die het bewijzen, zowel op Europees niveau waar een studie aantoont dat slechts een onderneming op drie een toereikende due-diligencebenadering heeft, als op Belgisch niveau waar een recente studie van de KU Leuven tot de conclusie kwam dat twee derde van de ondernemingen slechts een minimale maatschappelijke duurzaamheidsstrategie heeft.” Initiatieven als alternatieven voor de wetgeving zijn dus een “utopie”, volgens de vertegenwoordigster van Oxfam, “een narratief dat zijn geloofwaardigheid volledig heeft verloren”.

Maar voor David Coleman is er geen tweedeling tussen een bindende wetgeving en vrijwillige initiatieven. Er moet niet tussen het ene of het andere worden gekozen: “In de complexe wereld van toeleveringsketens kan de regelgeving niet alles oplossen en de vrijwillige initiatieven kunnen dat ook niet.” De combinatie van beide kan volgens hem een zeer belangrijke impact hebben: “We zijn trots dat Mars lid is van Beyond Chocolate, in Duitsland van GISCO, in Zwitserland van Swisco: met al deze initiatieven kunnen gegevens worden verzameld en inspanningen gemeten, maar de vrijwillige initiatieven kunnen verder gaan dan controle. Met Care International bijvoorbeeld hebben we een spaar- en kredietproject in enkele dorpen in Ivoorkust. De impact van dit initiatief op het terrein is belangrijk.” Sarah Vaes stemt hiermee in als “het idee effectief is om verder te gaan dan de wetgeving”.

Sara Geenen volgt David Coleman en Sarah Vaes. Haar ervaring en de studies in de Congolese mijnbouwsector tonen aan dat de impact van vrijwillige maatregelen moeilijk te meten is, omdat ze moeten worden onderscheiden van de financiering van conflicten en geweld dat langs andere kanalen komt. Heel wat programma’s zijn moeilijk te meten in termen van weerslag op de conflicten: “In deze regio is het niet duidelijk of de redelijke zorgplicht een impact heeft gehad op de mensenrechten.” Er ligt nog enorm veel werk op de plank.

(1) Webinar over MVO en fair trade in crisisperiodes van 29 september 2020, georganiseerd door het Trade for Development Centre van Enabel en The Shift. U kan het volledige debat hieronder beluisteren. 
Play Video

Beluister het debat 'MVO in toeleveringsketens' van 29/9

Lees ook

45 bedrijven vragen om een nationaal wettelijk kader voor corporate due diligence

In navolging van het initiatief dat chocolatier Tony’s Chocolonely nam in Nederland schreven de Belgische ondernemingen Belvas en Kalani een brief aan de Belgische beleidsmakers, waarin zij oproepen tot een nationaal wettelijk kader voor corporate due diligence op vlak van mensenrechten en milieu. Ze nodigen nu andere bedrijven uit om zich bij hen aan te sluiten.

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email
Share on print
Print

Deze website gebruikt cookies om uw gebruikerservaring zo aangenaam mogelijk te maken.