Crise du lait_melkmanif

De Europese melk stroomt, maar bij de boeren komt het water aan de lippen

Onder het smetteloos witte oppervlak van de melk schuilt een sector in crisis en het zijn de kleine producenten die dreigen te verdrinken in de melkplas. Door de Europese overproductie kelderen de inkomsten van de boeren en hun werk is niet meer rendabel. Maar de overproductie heeft ook gevolgen voor Afrika. Daar staat ze de ontwikkeling van lokale zuivelketens in de weg.

Europa is een van de wereldkampioenen in de melkproductie. De landen van de Europese Unie hebben in 2018 ongeveer 172 miljoen ton melk geproduceerd. Op dit niveau speelt alleen India nog mee. Maar in tegenstelling tot India, dat bijna zijn gehele productie lokaal verbruikt, stuurt Europa een aanzienlijk deel van de geproduceerde melk naar het buitenland. Daardoor is het de grootste exporteur van zuivelproducten ter wereld. In 2018 hebben de 28 lidstaten 930.000 ton melk, 989.000 ton melkpoeder, 768.000 ton kaas, 119.000 ton boter, enz. uitgevoerd. Deze cijfers, verstrekt door Eurostat, nemen praktisch elk jaar toe.

De Belgische producenten blijven zeker niet achter. Zij hebben in 2018 vijf miljoen ton melk bijgedragen aan de totale productie van Europa.

Achter deze ogenschijnlijk positieve statistieken gaat echter een diepe crisis schuil. Een crisis die vooral de mensen aan het begin van de melkproductieketen treft, namelijk de boeren. “Producenten, consumenten, zuivelbedrijven, supermarkten, industriëlen, traders … Niet al deze spelers hebben dezelfde belangen. En in dit spel zijn wij, de producenten, de zwakste schakel”, zegt Erwin Schöpges, voorzitter van de Europese vereniging van melkproducenten, de European Milk Board (EMB).

De melksector wordt al 30 jaar door de Europese Unie gereguleerd. De EU had quota vastgesteld om de hoeveelheden te beperken die de landbouwers mochten produceren. Het systeem was verre van perfect, zoals blijkt uit de grote demonstraties van melkveehouders in 2009 na een dramatische daling van de melkprijzen. Maar de quota had wel de verdienste dat ze de overproductie binnen de perken hield. In 2015 werd de melksector echter volledig geliberaliseerd. In de plaats van quota kwam een ongecontroleerde productie die uitsluitend wordt beheerst door de wet van vraag en aanbod. Het gevolg is dat de boeren in een hectische wedloop terecht zijn gekomen om steeds meer te produceren.

“De producent krijgt minstens 10 cent per liter melk te weinig”

De daaruit voortvloeiende overproductie heeft de prijzen zeer laag gehouden. Het gaat zo ver dat de Europese boeren niet genoeg geld krijgen voor hun melk. Ze kunnen niet eens hun productiekosten dekken, laat staan dat ze een loon krijgen voor hun werk. Daardoor worden ze op de koop toe steeds afhankelijker van subsidies. In 2016 heeft de EU onder druk van verschillende lidstaten gedurende enkele maanden een vermindering van de productie op vrijwillige basis en in ruil voor compensatie georganiseerd. Het was een succes, maar de maatregel werd niet voortgezet.

“In 2017 heeft de EMB een studie uitgevoerd naar de kosten van de melkproductie in België, inclusief een correcte verloning van de melkveehouder”, vertelt Erwin Schöpges. “Zo kwamen ze op een bedrag tussen 43 en 45 cent per liter rauwe melk bij het verlaten van de boerderij. Vandaag de dag ligt de gemiddelde prijs die aan de producent wordt betaald tussen de 30 en 33 cent. Bijgevolg ontbreekt er minimum 10 cent per liter voor boeren om een eerlijk inkomen voor hun werk te krijgen. En we hebben de subsidies in mindering gebracht op onze berekening. Dit betekent dat als ze morgen worden afgeschaft, er nog eens 4 tot 5 cent bij de 45 cent moet worden opgeteld.”

 De voorzitter van de European Milk Board wijst erop dat de problemen van de Belgische producenten identiek zijn aan die van de landbouwers in de 16 lidstaten van zijn organisatie. Waaronder Portugal, Ierland, Denemarken, Italië, de Baltische staten, enz.

De een zijn dood…

Maar zoals vaak is de een zijn dood de ander zijn brood. In de huidige marktconfiguratie krijgen de grote Europese distributie- en verwerkingsgroepen melk tegen lage prijzen. Daardoor kunnen ze goede winstmarges behalen, vooral op verwerkte producten (boter, kaas, enz.) en kunnen ze overschotten verkopen tegen bodemprijzen op het Afrikaanse continent.

“Door melkquota af te schaffen zonder voor crisisinstrumenten te zorgen en door de landbouwproductie steeds meer te richten op grootschalige export bevordert de Europese Unie de belangen van de agro-industrie. Dat gaat ten nadele van de belangen van de Europese en Afrikaanse boeren”, betreurden de verenigingen SOS Faim, Oxfam, Vétérinaires Sans Frontières en de coalitie ‘Mon lait est local’ het afgelopen voorjaar gezamenlijk. Zij lanceerden toen een grote campagne waarin zij de EU opriepen om ermee te stoppen haar problemen naar Afrika te exporteren.” (zie de slogan ‘Exporteer onze problemen niet’).

Moeten er daarom opnieuw quota worden ingevoerd? Erwin Schöpges denkt van niet. “Quota, op de manier waarop ze in het verleden werden beheerd, waren gewoon een middel om de productie aan te passen aan de vraag.” In plaats daarvan zou de voorzitter van de EMB graag een reeks maatregelen zien ter ondersteuning van de landbouwers bij een dalende productie, waaronder een Market Responsibility Programme (MRP). Dat is een programma om trends waar te nemen en snel te reageren wanneer zich een crisis aandient. Erwin Schöpges: “Totdat het bedrag van 45 cent is bereikt moet de productie worden geplafonneerd. En moeten alle boeren de kans krijgen om hun hoeveelheden vrijwillig te verminderen door hen te compenseren voor die vermindering.”

Mentaliteitswijziging

Ook bij de melkveehouders is volgens Erwin Schöpges een mentaliteitsverandering nodig. Zij zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor de melkplas in Europa. “Het maakt deel uit van het DNA van de boer, van de mens, om zoveel mogelijk te willen produceren. Wanneer een boer verlies lijdt, is zijn reflex om dat te compenseren door de productie op te drijven. We proberen die mentaliteit echter te wijzigen door uit te leggen dat iets minder produceren een hoger inkomen kan opleveren. Want als de productie in balans is, staan we sterker in onze schoenen bij de onderhandelingen met de zuivelfabrieken, met onze afnemers.”

Erwin Schöpges is ook van mening dat dit zou helpen om een van de grootste problemen van de sector te voorkomen, namelijk het voorraadbeheer. “De opslag van melkpoeder is het enige instrument dat Europa heeft ingevoerd. Op een gegeven ogenblik was er in heel Europa 400.000 ton melkpoeder opgeslagen. Dat is grosso modo de jaarproductie van België. Het zou voor iedereen veel interessanter zijn om deze melk niet te produceren. Uiteindelijk wordt ze toch op een of andere manier weggegooid en in de tussentijd kost ze veel geld.”

Oneerlijke concurrentie

‘Op een of andere manier’ betekent vaak ‘in Afrika’ en ‘in poedervorm’. Europese multinationals zoals Lactalis (Frankrijk), Nestlé (Zwitserland), Arla (Denemarken) of Milcobel (België) investeren zwaar in West-Afrika, een regio die zij zien als een veelbelovende afzetmarkt. Het aantal locaties waar poedermelk uit Europa opnieuw wordt verpakt neemt toe. Dat is echter niet bevorderlijk voor de lokale economische en sociale ontwikkeling aangezien er niet veel arbeidskrachten nodig zijn en een grondstof uit het oude continent gebruikt wordt.

Erger nog, de massale import van melkpoeder op de Afrikaanse markt is niet zonder gevolgen voor de lokale zuivelsector. Het Europese melkpoeder dat afkomstig is van overproductie wordt veel goedkoper verkocht dan lokale verse melk, tegen zowat de helft van de prijs en in steeds grotere hoeveelheden. In tien jaar tijd is de Europese export van melkpoeder verdubbeld. Volgens de campagne ‘Exporteer onze problemen niet’ is bijvoorbeeld 90 % van de melk die in de Malinese hoofdstad Bamako wordt geconsumeerd, afkomstig van buitenlands (voornamelijk Europese) melkpoeder.

Hoe is dat mogelijk? Eerst en vooral mogen we niet vergeten dat de Europese melkveehouders profiteren van de steunbetalingen van de EU. “Die rechtstreekse betalingen zorgen ervoor dat de Europese productie die op de wereldmarkt wordt verkocht aantrekkelijk geprijsd is”. Dat blijkt uit de Franse studie ‘Gemeenschappelijk Landbouwbeleid: waar is de samenhang met de ontwikkeling van de boerenlandbouw in het Zuiden?’ die in oktober door Coordination Sud werd gepubliceerd[i]. “[De EU] draagt dus bij aan de toenemende concurrentie door de Europese invoer op de markten van de landen in het Zuiden.” Daarom zegt de vereniging dat ‘Europa met de ene hand neemt wat het met de andere hand geeft’, zoals we hieronder zullen zien.

“Bij ons (in Afrika, n.v.d.r.) leven enkele honderdduizenden mensen van de melkproductie en melkverwerking. Onze lokale structuren worden bedreigd als de invoer uit de EU blijft toenemen”. Zo waarschuwde de directeur van Vétérinaires Sans Frontières in Burkina Faso, Christian Dovonou, bij de lancering van de campagne ‘Exporteer onze problemen niet’ in april.

Het was in die context dat een vijftiental West-Afrikaanse producenten naar Brussel kwamen om hun zaak voor de Europese instellingen te bepleiten. Mariama Dicko runt een kleine melkveehouderij in Dori, Burkina Faso en maakte deel uit van de delegatie. Ze stelde de oneerlijke concurrentie uit Europa aan de kaak: “De ingevoerde melk kost niet meer dan 200 frank (CFA, n.v.d.r.) en onze lokale melk kost 400 frank”. Erger nog, “de melk die in Burkina Faso arriveert, is niet eens van goede kwaliteit.”[ii]

[i] Alain Faujas, Céréales et laits africains souffrent d’une concurrence européenne déloyale, d’après Coordination Sud, jeune afrique, 13 novembre 2019.

[ii] Franceinfo, L’Afrique ne veut plus du lait de mauvaise qualité venant de l’Europe, 15 avril 2019

Melk is goed voor elk … in poeder … mager … vetgevuld … met palmolie?

Als gevolg van een dehydratatieproces kan poedermelk bestaan in drie soorten: volle, halfvolle of magere melk. Op die manier kan de houdbaarheid van de melk en de eiwitten, minerale zouten en vetten die ze bevat, verlengd worden. Als ze tenminste niet volledig afgeroomd is.

Het mageremelkpoeder en de toenemende export ervan naar Afrikaanse landen is nu onderhevig aan veel kritiek. De reden hiervoor is dat aan het poeder steeds vaker opnieuw vet wordt toegevoegd. Dat vet bekomt men onder de vorm van plantaardige olie, veelal palmolie, omdat die veel goedkoper is dan melkvet. Wanneer het product opnieuw verpakt is, wordt het vaak verkocht als ‘echte’ melk. Sinds 2016 is de Europese export van dit opnieuw met vet aangelengde melkpoeder naar West-Afrika naar schatting met 24 % gestegen.

De industriëlen hebben bovenvermelde praktijk bedacht om het mageremelkpoeder – dat overblijft na de fabricage van boter, die momenteel zeer hoog geprijsd is – te benutten en verkocht te krijgen. De grote Europese bedrijven profiteren dus van het Europese zuivelbeleid en het gebrek aan wetgeving om de weinig voedzame surrogaatmelk naar Afrika te exporteren. Dat surrogaatproduct bevat uiteraard niet dezelfde voedingstoffen zoals vetzuren, minerale zouten, vitaminen, enz. als volle melk. Door gebruik te maken van de achterpoortjes in de regelgeving zien de fabrikanten er echter vaak van af om dat in hun etikettering of reclame te vermelden. Dat houdt een gezondheidsrisico in voor de consumenten, vooral voor jonge kinderen.

“Zou het over export van vollemelkpoeder gaan, dan konden we tenminste nog zeggen dat de Afrikaanse consument een kwaliteitsproduct krijgt”, zegt Erwin Schöpges. “Maar het gaat over een product dat niemand in Europa wil consumeren. Tussen de regels zeggen ze:  Het is goed genoeg voor de Afrikanen …”

Deze ‘namaakmelk’ wordt ook op de korrel genomen vanwege de ecologische impact ervan. Ze doet immers de vraag naar palmolie toenemen. De productie van palmolie is schadelijk voor het milieu, want ze leidt tot verregaande ontbossing in de streken waar oliepalmen worden verbouwd.

Er is echter ook goed nieuws. Bijna negen maanden na de lancering van de campagne ‘Exporteer onze problemen niet’ heeft de Europese Commissie met ingang van 1 januari 2020 een specifieke tarieflijn voor mageremelkpoeder met plantaardige vetten (PV) ingevoerd. Op die manier kunnen de door de EU geëxporteerde hoeveelheden ‘mengsel van magere melk en plantaardig vet in poedervorm’ worden geregistreerd en kan worden bepaald welke landen dat mengsel uitvoeren. De informatie kan dan openbaar gemaakt worden om een accuraat beeld te krijgen van de ontwikkeling van deze handel. De eerste cijfers zouden in de komende maanden beschikbaar moeten zijn.

Le cercle vicieux de l’hyper mondialisation du lait, expliqué par Erwin Schöpges

« L’Europe connaît une surproduction laitière. Ce qui n’empêche pas les producteurs de continuer à importer du soja, qui stimule la production de lait, pour nourrir leurs vaches. Ce soja vient souvent du Brésil où sa culture entraîne de la déforestation. Le même phénomène se produit avec l’huile de palme, qui provient souvent d’Indonésie, et que les industriels utilisent pour ré-engraisser le lait en poudre écrémé qui résulte de la fabrication du beurre. Puis, on envoie ce mélange en Afrique…

Quand on analyse ce cercle, c’est complètement fou, et ça n’a aucun sens. Si on pouvait mettre fin à cette hyper mondialisation, je pense que tout le monde s’en porterait mieux: ce serait bénéfique pour le climat, les producteurs et les consommateurs. »

Eerlijke melk, een reddingsboei voor de Belgische producenten …

In een poging om de problemen van het huidige zuivelsysteem op te lossen, zijn de afgelopen jaren verschillende merken van zogenaamde ‘fairtrademelk’ ontstaan. ‘C’est qui le patron?’ (wie is de baas?) is er zo een. Het initiatief werd in 2016 in Frankrijk opgestart en het jaar daarop in België opgepikt. Hoe werkt het? Het zijn de consumenten die het merk creëren. Bij de lancering in België hebben 5.300 Belgen een online vragenlijst beantwoord. Die werd gebruikt om het na te leven lastenboek op te stellen: een billijke vergoeding voor de producent, melk die in België wordt opgehaald en verpakt, koeien die gedurende minstens een derde van het jaar worden geweid en gevoederd met ggo-vrij voer dat bevorderlijk is voor omega 3-rijke melk. “Het is een collectieve aanpak waarbij de consument kan kiezen wat hij of zij wil consumeren. Hier staat het feit centraal dat de prijzenoorlog en de promoties in de sector van de grootdistributie een impact hebben op de producenten. Zij moeten namelijk op hun beurt hun prijzen verlagen”, vertelde Sylviane Bockourt, een van de initiatiefnemers van het project[i], begin 2018. Er werd een partnerschap gesloten tussen het merk en de zuivelcoöperatie CoFerme. Die verenigt 175 producenten in de regio Chimay en heeft zelf haar verkoopprijs vastgesteld op 38 cent per liter melk.

Een ander merk is Fairebel. Dat is meer producentgericht. De coöperatie werd tien jaar geleden in België opgericht en brengt nu een 500-tal boeren samen. Ze wil een duurzame en familiale landbouw ondersteunen door zuivelproducten (melk, boter, kaas, ijs) tegen een hogere prijs te verkopen. Daarbij krijgen de producenten gegarandeerd 45 cent per liter.

Naast voorzitter van de European Milk Board is Erwin Schöpges ook voorzitter van Fairebel en haar coöperatie Fairecoop.  “Ons doel was om een merk te creëren, een boerenlabel waarmee de consument de mogelijkheid heeft om de lokale producenten te ondersteunen. Als tegenprestatie voor de 45 cent nodigen we de boeren uit om met de consumenten te gaan praten, de situatie in de zuivelsector uit te leggen en met hen te communiceren om hun vakkennis te promoten.” In 2019 verkocht Fairebel rond de 11 miljoen liter melk.

Wat speciaal is aan Fairebel: tot nu toe was de melk die in de brikpakken zat niet afkomstig van de coöperaties. De producten van Fairebel worden namelijk vervaardigd en verpakt door het Luxemburgse bedrijf Luxlait. Dat bedrijf heeft echter de verplichting om op de Belgische markt een even grote hoeveelheid melk te kopen als het volume dat de Fairebel-leden produceren. De leden van Fairebel leveren hun productie aan hun gebruikelijke zuivelfabriek en Faircoop past het verschil bij zodat ze 45 cent per liter krijgen. “Het is dezelfde filosofie als die achter de groene energie”, verklaarde Erwin Schöpges in mei[ii]. “Zelfs als je groene stroom koopt, is het niet de stroom van de windturbines die rechtstreeks naar je huis gaat”. Maar sinds 1 januari wordt de melk van sommige leden van de coöperatie opgehaald en belandt wel degelijk in de brikpakken van Fairebel.

Sinds oktober 2019 is de cacao in de chocolademelk van Fairebel Fairtrade-gecertificeerd. Op die manier krijgen ze de garantie van een betere prijs. Voor elk verkocht product gaat 1 cent naar de Fairtrade-premie die de gecertificeerde coöperaties genieten. Nog 1 cent wordt gedoneerd aan het ontwikkelingsproject ‘Women School of Leadership’ in Ivoorkust. Dat is een school van vrouwelijke leiders opgericht door Fairtrade Africa met als doel de economische empowerment van vrouwen te versterken en hen aan te moedigen en te ondersteunen om deel te nemen aan het beheer van de producentenorganisaties.

[i] La Libre Belgique, Le lait équitable “C’est qui le patron?” arrive en rayons en Belgique,  21 février 2018. 

[ii] Le Soir, Fairebel va récolter le lait de ses coopérateurs, 22 mai 2019

… Europees

Het Fairebel-concept wordt ook elders in Europa toegepast. “Hetzelfde initiatief bestaat in Frankrijk, onder de naam ‘FaireFrance’, in Luxemburg, in Duitsland … In totaal is het aanwezig in zes Europese landen”, weet Erwin Schöpges. “Het idee is in Oostenrijk ontstaan en de European Milk Board heeft het concept overgenomen en ter beschikking gesteld aan zijn leden.”

… Burkinees

En sinds 2018 blijft het niet meer beperkt tot Europa. FaireFaso is een gelijkaardig label dat in Burkina Faso werd ontwikkeld, op initiatief van Burkinese en Belgische producenten. Het wordt gesteund door Oxfam-Solidariteit en Operatie 11.11.11.

“We trachten daar te doen wat we hier ook proberen: ervoor zorgen dat de boeren met de consumenten kunnen communiceren en hun producten bij hen kunnen promoten”, zegt Erwin Schöpges.

“Het label FaireFaso is een sterk symbool”, bevestigt Ibrahim Diallo, voorzitter van de nationale vereniging van kleine zuivelbedrijfjes en producenten van lokale melk in Burkina Faso (UMPL-B), kort na de lancering. “Je herkent daarmee een kwaliteitsproduct dat tegen een eerlijke prijs wordt verkocht. Er is een reële vraag naar kwaliteitsmelk tegenover het geïmporteerde melkpoeder. In Burkina Fuso is een golf van patriottisme op gang gekomen. De consumenten zijn trots als er een nationaal product wordt aangeboden. Het FaireFaso-label komt dus op een gepast moment. Het succes is zo groot dat we de vraag niet kunnen bijhouden!”[i]

Miriam Diaby runt een zuivelbedrijfje. Ze geeft een concreet voorbeeld van de evolutie. “Vroeger goten de vrouwen de melk over in kalebassen om ze van huis tot huis te gaan verkopen. Het probleem was dat zo veel tijd wordt verspild, melk wordt gemorst en het niet zo veilig is. Dit alles om een schamele 200 CFA-frank per dag te verdienen. Vandaag verdienen de vrouwen dankzij de melkfabriek maar liefst 200.000 CFA-frank per maand. Dat kan niet iedere ambtenaar ons nazeggen.”

De 63 kleine zuivelfabriekjes van UMPL-B verwerken jaarlijks meer dan een miljoen liter poedermelk, yoghurt, kaas, boter en gapal (een mengsel van yoghurt en gierstmeel) en verkopen hun producten onder het merk FaireFaso.

[i] CNCD, Produire du lait dignement, un combat mené en Belgique et au Burkina Faso, 25 juillet 2018

… En Afrikaans

Het concept maakt zich nu op om uit te breiden naar andere West-Afrikaanse landen. “In 2019 ben ik naar Senegal en Mali geweest. In de loop van dit jaar hopen we FaireSen en FaireMali daar te kunnen lanceren”, zegt Fairebel-voorzitter Erwin Schöpges. “In Niger willen mensen het project ook opstarten. Ik hoop er de komende maanden naartoe te kunnen om ter plaatse betrouwbare partners te vinden.”

Het succes van initiatieven als FaireFaso hangt echter ook af van de steun van de lokale overheden om te kunnen concurreren met de geïmporteerde opnieuw samengestelde melk. Daarom ondersteunen Oxfam-Solidariteit en Operatie 11.11.11 kleine producenten om te lobbyen. Een concreet voorbeeld van een beleidskeuze die een wereld van verschil kan maken: lokale producenten toegang geven tot schoolkantines.

Erwin Schöpges wijst erop dat als andere Afrikaanse landen, zoals Kenia en Zuid-Afrika, erin geslaagd zijn hun zuivelsector te vrijwaren van massale import, dit te danken is aan overheidssteun. “Die landen hebben gekozen voor voedselonafhankelijkheid. Dat wil zeggen dat ze hun lokale markten hebben beschermd en veel geld hebben uitgegeven om hun binnenlandse productie te ontwikkelen. Kijk naar het geld dat Europa steekt in het ondersteunen van de voedselproductie via het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Als Afrikaanse landen hetzelfde soort middelen in hun lokale voedselproductieketens stoppen, ben ik ervan overtuigd dat ze zich daar kunnen ontwikkelen.”

« Veel potentieel»

“West-Afrika heeft een groot potentieel aan zuivelproducten”, beaamt Amadou Hindatou. Hij is het hoofd van de campagne ‘Mon lait est local’ (mijn melk is lokaal) die in 2018 in Burkina Faso, Mali, Mauritanië, Niger, Senegal en Tsjaad werd gelanceerd door APESS (de Vereniging voor de Promotie van Veehouderij in de Sahel en de Savanne). Daarom roept APESS op tot meer douanebescherming. “Wij vragen dat het gemeenschappelijk buitentarief (of CET) van de ECOWAS (Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten) voor het mengsel van melkpoeder en plantaardige olie wordt verhoogd van 5 % tot 30 %. Ook vragen we dat lokale melk wordt vrijgesteld van btw, (…) dat de economische partnerschapsovereenkomsten (EPA’s) met de EU worden herzien, (…) en dat de multinationals die melkpoeder in Afrika verwerken, transparant zijn over de traceerbaarheid en een minimumpercentage lokale melk opnemen”, zei Amadou Hindatou onlangs[i].

Ook François Graas van de organisatie SOS Faim deelt dit standpunt. Maar hij vindt ook dat import niet volledig afgeschaft mag worden, omdat het lokale aanbod op dit moment niet aan de vraag kan voldoen. “Er moet een evenwicht zijn en laaggeprijsde invoer mag niet overheersen. Het is ook noodzakelijk om de lokale structuren te ondersteunen via het ontwikkelingsbeleid. De melkproductie biedt namelijk een groot potentieel voor werkgelegenheid en inkomenskansen”, zei hij afgelopen april.[ii]

Bovendien is een goed ontwikkelde lokale melkproductie – en landbouwproductie in het algemeen – de beste bescherming tegen armoede, plattelandsvlucht en zelfs grote migratiebewegingen en radicalisering.

[i] Alain Faujas, Céréales et laits africains souffrent d’une concurrence européenne déloyale, d’après Coordination Sud, jeune afrique, 13 novembre 2019.

[ii] Zonebourse, EMB European Milk Board : « Ne pas exporter les problèmes de l’UE en Afrique !

België heeft een vinger in de pap

Via zijn ontwikkelingsagentschap Enabel ondersteunt de Belgische Staat ook verschillende projecten in West-Afrika. “De programma’s zijn het resultaat van bilaterale akkoorden tussen de Belgische regering en de betrokken staten”, zegt Sofie Van Waeyenberge. Zij is coördinator landbouwontwikkeling bij Enabel. “De onderhandelingen vinden plaats op politiek niveau, waarna een strategisch kader (prioriteiten, budget, enz.) wordt uitgewerkt. Zodra dat kader is vastgesteld, komt het project naar ons toe en is het onze opdracht om het uit te voeren.”

“We proberen altijd een systemische aanpak te hanteren”, zegt de landbouwcoördinator. “We analyseren de context van een bepaald systeem, bekijken waar het mank loopt en voeren geleidelijk veranderingen door. Dat doen we op een participatieve manier met de verschillende actoren op het terrein.”

In Mali wil het project AREP-K (voor ondersteuning aan de versterking van de veeteelt en de pastorale economie in de regio Koulikoro) de ontwikkeling van de veestapel in vier gebieden van Koulikoro ondersteunen. Tegelijkertijd wil het project het ondernemerschap en de jobcreatie stimuleren, in het bijzonder voor vrouwen. Daartoe zet Enabel in op het versterken van de dienstverlening aan de veehouders. Dat gebeurt via partnerschappen tussen verenigingen van veehouders, lokale overheden, technische diensten en private ondernemers. Op die manier zullen de waardeketens beter gaan werken en competitiever worden. Zo zal het agro-pastorale potentieel van de regio beter wordt benut en zal uiteindelijk de sociaaleconomische ontwikkeling erop vooruitgaan.

In Niger lanceerde Enabel in januari 2018 het programma PRADEL om de ontwikkeling van de veeteelt een duwtje in de rug geven. Het programma begint nu aan een tweede fase: de strategie om het ondernemerschap te ondersteunen bij het uitbouwen van waardeketens voor vee, vlees, melk en gevogelte (DSAE PRADEL) in de regio’s Tahoua en Dosso. PRADEL focust op negen waardeketens, waaronder de productie van koemelk en verse kamelenmelk. De uitdaging bestaat erin de productiviteit en het concurrentievermogen van de waardeketens te verbeteren zodat ze kunnen voldoen aan de reële vraag. Een vraag die momenteel wordt gedekt door de opnieuw samengestelde melk van de industriëlen. Een verbeterde productiviteit vereist onder andere hoogwaardig veevoer, aanvullend voer voor zogende koeien, meer vrouwtjes-fokdieren, gezondheidscontrole, enz.

In Mauritanië tot slot, is melk afkomstig van rondtrekkende kudden runderen en kamelen een van de belangrijkste pijlers van het dieet. Daarom voert het ontwikkelingsagentschap daar het project RIMFIL uit, om de ontwikkeling van duurzame landbouw- en veeteeltketens te bevorderen. Het project wordt gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en moet de ontwikkeling van de bovengenoemde waardeketens op gezins- en gemeenschapsniveau stimuleren. De projectleiders hopen hiermee tegen het einde van het project de waardeketens beter gestructureerd te hebben. Bovendien is het de bedoeling dat de infrastructuur en apparatuur voor inzameling, verwerking, verpakking en verkoop van lokale projecten efficiënt werkt. Verder wordt gehoopt dat het overheidsbeleid ten gunste van de ontwikkeling van de waardeketens en de afzet van Mauritaanse producten ontwikkeld is en het commercieel juridisch kader verbeterd is.

Voor elk van bovengenoemde programma’s heeft Enabel een team ter plaatse. Dat bestaat uit Belgische en internationale specialisten die samenwerken met meerdere partners. “Overheids- en publieke instellingen zijn voor ons geprivilegieerde partners”, zegt Sofie Van Waeyenberge.  “Maar we werken samen met alle belangrijke spelers in de sector: kwekersfederaties, producentenorganisaties, ngo’s, enz. Ngo’s zijn zeer complementair aan onze acties, vooral op het gebied van politieke belangenbehartiging, wat niet tot onze opdracht behoort.”

“In de ontwikkelingssamenwerking werken we vaak in een zeer, zeer complexe omgeving. Daarom proberen we altijd flexibel te zijn in de uitvoering van onze programma’s, want er zijn altijd een aantal elementen waar we geen controle over hebben”, besluit de Enabel-coördinator.

De echte macht

Elk van de projecten die Enabel uitvoert, wordt voor meerdere miljoenen euro’s gefinancierd. Alles samen gaat het om tientallen miljoenen. Hoeveel zijn er dat op Europese schaal? Toch worden de financiële en menselijke middelen die worden ingezet voor de ontwikkeling en ondersteuning van de lokale zuivelsector in Afrika gedwarsboomd door de overproductie, die eveneens uit Europa komt … En we kunnen niet eens zeggen dat deze situatie de producenten op het oude continent ten goede komt, aangezien zij geen fatsoenlijk inkomen kunnen genereren.

Wie profiteert van het huidige systeem van goedkope melk? Dat zijn de grote distributie- en verwerkingsbedrijven en de consument. Die consument heeft via zijn of haar koopgedrag de echte macht om de toestand te veranderen. Zowel in Europa als in Afrika bestaan er nu alternatieven waardoor de consumenten een andere insteek kunnen kiezen. Uiteindelijk ligt de keuze bij de consumenten: onder welke voorwaarden willen zijn hun melk van de uier van de koe naar hun kopje laten brengen, en wat zal de uiteindelijke kwaliteit van de melk zijn?

De vicieuze cirkel van de hyperglobalisering van melk, uitgelegd door Erwin Schöpges

“Europa kampt met een overproductie van melk. Dit belet niet dat de producenten doorgaan met het invoeren van soja – wat de melkproductie stimuleert – als voer voor hun koeien. Deze soja komt vaak uit Brazilië waar de sojateelt leidt tot ontbossing. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij palmolie die vaak afkomstig is uit Indonesië en die door industriëlen wordt gebruikt om het mageremelkpoeder dat bij de fabricage van boter ontstaat opnieuw met vet te verrijken. Daarna wordt dit mengsel naar Afrika gestuurd …

Als je deze cirkel analyseert, is het compleet gestoord, en heeft het totaal geen zin. Als we een einde kunnen maken aan die hyperglobalisering, denk ik dat iedereen beter af zou zijn: het zou goed zijn voor het klimaat, voor de producenten én voor de consumenten.”

[i] Alain Faujas, Céréales et laits africains souffrent d’une concurrence européenne déloyale, d’après Coordination Sud, jeune afrique, 13 novembre 2019.
[ii] Franceinfo, L’Afrique ne veut plus du lait de mauvaise qualité venant de l’Europe, 15 avril 2019
[iii] La Libre Belgique, Le lait équitable “C’est qui le patron?” arrive en rayons en Belgique,  21 février 2018.
[iv] Le Soir, Fairebel va récolter le lait de ses coopérateurs, 22 mai 2019 
[v] CNCD, Produire du lait dignement, un combat mené en Belgique et au Burkina Faso, 25 juillet 2018 
[vi] Alain Faujas, Céréales et laits africains souffrent d’une concurrence européenne déloyale, d’après Coordination Sud, Jeune Afrique, 13 novembre 2019. 
[vii] Zonebourse, EMB European Milk Board : « Ne pas exporter les problèmes de l’UE en Afrique ! », 10 avril 2019.
Foto’s
1. Manfestatie van melkproducenten in Brussel op 18 juni 2009 (c)Baudouin
2. Melkstaking op 18 september 2009
3. (c) Daniel Rowe
4. (c) Rekia Siwa
Facebook
Twitter
LinkedIn
WhatsApp
Email
Print

Deze website gebruikt cookies om uw gebruikerservaring zo aangenaam mogelijk te maken.